Feed-certificering is strenger dan food-certificering omdat diervoeder een langere en complexere verantwoordingsketen kent, waarbij fouten in de productie of opslag doorwerken tot in de menselijke voedselketen via het dier. De norm GMP+ stelt daardoor eisen aan traceerbaarheid, ketenborging en risicobeheer die verder gaan dan wat FSSC22000 voor voedselopslag vereist. In dit artikel beantwoorden we de meest gestelde vragen over het verschil tussen feed- en food-regelgeving en wat dit betekent voor logistieke dienstverleners die beide stromen verwerken.
Als specialist in dry bulk logistiek werken we dagelijks met producten die onder zowel GMP+ als FSSC22000 vallen. De vragen die we hieronder beantwoorden, komen rechtstreeks voort uit de praktijk van opslag en behandeling van voedingsmiddelen en diervoeding.
Wat zijn de belangrijkste verschillen tussen feed- en food-regelgeving?
Het belangrijkste verschil tussen feed- en food-regelgeving is de reikwijdte van de ketenaansprakelijkheid. Food-regelgeving richt zich op de veiligheid van producten die rechtstreeks door mensen worden geconsumeerd. Feed-regelgeving gaat een stap verder: het borgt de veiligheid van producten die dieren eten, waarvan de uitkomsten, denk aan vlees, melk en eieren, vervolgens opnieuw in de humane voedselketen terechtkomen.
In de Europese Unie worden diervoedermiddelen primair geregeld via Verordening (EG) 183/2005, die specifieke hygiëne-eisen stelt aan alle schakels in de diervoederketen. Voedingsmiddelen voor menselijke consumptie vallen onder Verordening (EG) 852/2004. Hoewel beide verordeningen een HACCP-aanpak voorschrijven, zijn de uitwerkingsverplichtingen voor feed aanzienlijk uitgebreider.
Concrete verschillen in de praktijk zijn onder meer:
- Traceerbaarheidsvereisten: Bij feed moet elke partij tot op grondstofniveau traceerbaar zijn, inclusief de herkomst van ingrediënten en de route door de keten.
- Ketenborgingssystemen: Feed vereist aantoonbare borging van alle schakels, ook van toeleveranciers en transporteurs.
- Documentatieplicht: Feed-regelgeving vereist uitgebreidere registraties van reinigingen, inspecties en partijbewegingen dan de food-equivalenten.
- Risicoclassificatie van ingrediënten: Bepaalde grondstoffen in diervoeder, zoals diermeel of specifieke additieven, kennen aanvullende gebruiksbeperkingen die in food niet voorkomen.
Waarom is de verantwoordelijkheidsketen bij veevoer langer dan bij voedsel?
De verantwoordelijkheidsketen bij veevoer is langer dan bij voedsel omdat er een extra schakel bestaat tussen het geproduceerde product en de menselijke consument: het dier. Een onveilig voedingsmiddel treft direct de eindconsument. Een onveilig diervoeder treft eerst het dier, maar de gevolgen, zoals residuen van contaminanten in vlees of melk, bereiken de mens alsnog.
Dit heeft directe gevolgen voor hoe aansprakelijkheid wordt verdeeld. Bij voedsel is de producent of verwerker veelal de laatste verantwoordelijke partij voor de veiligheid van het product. Bij diervoeder zijn ook de logistieke dienstverlener, de mengvoederfabrikant, de veehouder en de slachterij of zuivelverwerker onderdeel van dezelfde aaneengesloten verantwoordingsketen.
Elke schakel in die keten moet kunnen aantonen dat het product op het moment van overdracht aan de volgende partij veilig was. Dat betekent dat een opslagbedrijf dat diervoeder behandelt, niet alleen verantwoordelijk is voor wat er in het eigen magazijn gebeurt, maar ook moet kunnen onderbouwen dat het product bij ontvangst al aan de normen voldeed. Deze aantoonplicht maakt feed-certificering inherent zwaarder dan haar food-equivalent.
Wat controleert GMP+ dat FSSC22000 niet vereist?
GMP+ controleert specifiek de borging van de volledige diervoederketen, inclusief de eisen aan toeleveranciers en afnemers, de zogenaamde ketenborging. FSSC22000 richt zich op het voedselveiligheidsmanagementsysteem van de gecertificeerde locatie zelf. Het grootste verschil zit in de verplichte aansluiting op het GMP+ ketenborgingssysteem, waarbij alle betrokken partijen in de feed-keten gecertificeerd moeten zijn.
Specifieke elementen die GMP+ controleert en die buiten de scope van FSSC22000 vallen:
- Ketenborging: GMP+ vereist dat bedrijven uitsluitend samenwerken met andere GMP+-gecertificeerde partijen voor kritieke handelingen in de diervoederketen.
- Productspecifieke risicobeoordeling: GMP+ hanteert een uitgebreide lijst van risicoproducten waarvoor aanvullende voorzorgsmaatregelen gelden, zoals specifieke reinigingsprotocollen bij het omgaan met producten die eerder voor andere doeleinden zijn gebruikt.
- Transporteisen: Voertuigen en opslagmiddelen die diervoeder vervoeren of opslaan, moeten voldoen aan GMP+-specifieke eisen voor reiniging en kruisbesmettingpreventie.
- Early Warning System: GMP+ beschikt over een actief meldingssysteem waarbij deelnemers verplicht zijn om risicosignalen en incidenten te melden, zodat de gehele keten snel kan reageren.
- Monitoring en bewaking van contaminanten: GMP+ stelt aanvullende eisen aan het monitoren van ongewenste stoffen die specifiek voor diervoeder relevant zijn, zoals mycotoxinen en dioxinen.
FSSC22000 is op zichzelf een robuuste norm voor voedselveiligheid, maar is ontworpen voor de directe voedselketen. De ketengerichtheid en de verplichte samenwerking met gecertificeerde partners maken GMP+ tot een fundamenteel andere en zwaardere verplichting voor logistieke dienstverleners.
Welke risico’s maakt feed-certificering verplicht voor logistieke dienstverleners?
Feed-certificering wordt voor logistieke dienstverleners verplicht zodra zij diervoeder opslaan, behandelen of transporteren als onderdeel van een gecertificeerde keten. Het gaat dan niet alleen om wettelijke aansprakelijkheid bij incidenten, maar ook om commerciële uitsluiting: producenten en mengvoederfabrikanten met GMP+-certificering mogen in principe alleen samenwerken met gecertificeerde ketenpartners.
De risico’s die feed-certificering afdekt, zijn concreet en praktisch van aard:
- Kruisbesmetting: Diervoedergrondstoffen zijn gevoelig voor besmetting met andere stoffen die in dezelfde opslagruimte aanwezig zijn. GMP+ stelt eisen aan de scheiding van productstromen en de reinigingsprocedures tussen lossingen.
- Residurisico’s: Silo’s, big bags en opslagcellen die eerder voor andere producten zijn gebruikt, kunnen residuen bevatten die schadelijk zijn voor diervoeder. Certificering verplicht tot risicobeoordelingen bij elke productwissel.
- Aantoonbaarheidsproblemen: Zonder certificering kan een logistiek dienstverlener bij een incident niet aantonen dat de juiste procedures zijn gevolgd, wat de aansprakelijkheid vergroot.
- Markttoegangsverlies: Klanten in de diervoedersector zijn wettelijk verplicht te werken met gecertificeerde partners. Ontbreekt de certificering, dan vervalt de toegang tot dit marktsegment volledig.
Wanneer heeft een logistiek bedrijf zowel GMP+ als FSSC22000 nodig?
Een logistiek bedrijf heeft zowel GMP+ als FSSC22000 nodig wanneer het zowel diervoeder als voedingsmiddelen voor menselijke consumptie opslaat of behandelt. De twee normen overlappen gedeeltelijk, maar zijn niet uitwisselbaar. GMP+ dekt de feed-keten af; FSSC22000 dekt de food-keten. Wie beide productstromen verwerkt, moet aan beide normenstelsels voldoen.
In de praktijk zijn er drie situaties die een dubbele certificering rechtvaardigen of verplicht maken:
- Gemengde productportfolio: Een opslagbedrijf dat zowel ingrediënten voor de levensmiddelenindustrie als grondstoffen voor mengvoederfabrikanten verwerkt, heeft beide certificeringen nodig om aan de eisen van alle klanten te voldoen.
- Producten met dubbele bestemming: Sommige grondstoffen, zoals graanderivaten of plantaardige eiwitten, kunnen zowel voor humane consumptie als voor diervoeder worden ingezet. De certificering bepaalt welke verwerkingsroute is toegestaan.
- Ketenborging voor klanten: Klanten die zelf zowel GMP+ als FSSC22000 gecertificeerd zijn, verwachten dat hun logistieke partners aan beide normen voldoen om de integriteit van hun eigen certificering niet in gevaar te brengen.
Dubbele certificering vraagt om een zorgvuldig opgezet managementsysteem dat de eisen van beide normen integreert zonder dat er conflicten ontstaan tussen de procedures. In de praktijk betekent dit onder meer duidelijke scheiding van productstromen, aparte documentatiestructuren per norm en periodieke audits door twee verschillende certificerende instanties.
Hoe HUSA Logistics helpt met Food en Feed opslag
Als gecertificeerde logistieke partner voor zowel de food- als de feed-sector bieden wij opslag en behandeling van dry bulk producten die voldoen aan de hoogste normen in beide ketens. Onze aanpak is concreet en praktisch:
- Ons magazijn van 66.500 m² is gecertificeerd voor zowel GMP+ als FSSC22000, waardoor wij producten met een dubbele bestemming kunnen verwerken zonder dat u twee verschillende opslaglocaties nodig heeft.
- Wij hebben meer dan 25 jaar ervaring in dry bulk logistiek, inclusief de verwerking van grondstoffen voor de diervoeder- en levensmiddelenindustrie, zoals suiker, melkpoeder en aardappelzetmeel.
- Onze procedures voor reiniging, productscheiding en traceerbaarheid zijn afgestemd op de eisen van GMP+ ketenborging, zodat ook uw certificering geborgd blijft.
- Wij bieden diensten van big bag of 25 kg zakken naar bulk silo en omgekeerd, volledig in lijn met de hygiëne-eisen van beide normen.
- Onze tri-modale terminal in Veendam biedt flexibiliteit in aanvoer en afvoer via weg, spoor en water, wat logistieke efficiëntie combineert met ketenzekerheid.
Wilt u weten of uw productstromen in aanmerking komen voor opslag bij ons of welke certificering van toepassing is op uw situatie? Vraag een offerte aan of neem direct contact met ons op voor een vrijblijvend gesprek.
Veelgestelde vragen
Is GMP+ zwaarder dan FSSC22000?
GMP+ stelt aanvullende eisen op het gebied van ketenborging en samenwerking met gecertificeerde partners die FSSC22000 niet kent. Voor logistieke dienstverleners die diervoeder verwerken, is GMP+ daardoor in de praktijk een zwaardere verplichting.
Mag een niet-gecertificeerd bedrijf diervoeder opslaan?
Wettelijk gezien is opslag van diervoeder zonder GMP+-certificering in sommige gevallen mogelijk, maar commercieel is het vrijwel onmogelijk. Gecertificeerde klanten in de feed-keten zijn verplicht uitsluitend samen te werken met gecertificeerde ketenpartners.
Wat betekent ketenborging in GMP+?
Ketenborging binnen GMP+ houdt in dat alle betrokken partijen in de diervoederketen, van grondstofproducent tot opslager en transporteur, GMP+-gecertificeerd moeten zijn. Zo wordt de veiligheid van het eindproduct over de hele keten gegarandeerd.
Veelgestelde vragen
Hoe begin ik met het behalen van een GMP+-certificering als logistiek dienstverlener?
De eerste stap is het in kaart brengen van alle productstromen en opslagprocessen die onder de feed-regelgeving vallen, gevolgd door een GAP-analyse ten opzichte van de GMP+-normen. Vervolgens stelt u een voedselveiligheidsmanagementsysteem op dat voldoet aan de GMP+ B-module voor uw specifieke activiteit, zoals opslag of transport. Een gecertificeerde certificerende instantie, zoals SGS, Bureau Veritas of Lloyd's Register, voert daarna een initiële audit uit voordat de certificering wordt verleend.
Wat zijn de meest voorkomende fouten bij het gelijktijdig beheren van GMP+- en FSSC22000-procedures?
De meest gemaakte fout is het samenvoegen van documentatiestructuren voor beide normen, waardoor bij een audit niet meer duidelijk is welke procedure voor welke productstroom geldt. Een tweede veelvoorkomend probleem is het onvoldoende scheiden van productstromen op de werkvloer, waardoor kruisbesmettingsrisico's ontstaan die onder GMP+ direct leiden tot non-conformiteiten. Het is aan te raden om aparte logboeken, reinigingsprotocollen en verantwoordelijkheden per norm te definiëren, ook al worden ze beheerd binnen één geïntegreerd managementsysteem.
Hoe werkt het GMP+ Early Warning System in de praktijk en wat zijn mijn verplichtingen?
Het GMP+ Early Warning System (EWS) verplicht gecertificeerde bedrijven om risicosignalen, zoals verhoogde mycotoxinewaarden of contaminaties in een partij, actief te melden bij GMP+ International. Als gecertificeerde partij bent u ook verplicht om ontvangen EWS-meldingen intern op te volgen en te beoordelen of uw eigen opgeslagen partijen betrokken zijn. In de praktijk betekent dit dat u een procedure moet hebben voor het ontvangen, beoordelen en registreren van EWS-meldingen, zodat u bij een audit kunt aantonen dat u tijdig heeft gehandeld.
Wat gebeurt er als een toeleverancier zijn GMP+-certificering verliest terwijl wij al een partij diervoeder van hem hebben ontvangen?
Als een toeleverancier zijn GMP+-certificering verliest na levering, bent u als ontvangende partij verplicht de betreffende partij te blokkeren en een risicobeoordeling uit te voeren voordat het product verder in de keten wordt doorgegeven. GMP+ vereist dat u kunt aantonen dat het product op het moment van ontvangst aan de normen voldeed, wat u doet aan de hand van de ontvangstdocumentatie en het certificaatnummer dat op dat moment geldig was. Het is daarom essentieel om bij elke ontvangst de geldigheid van het GMP+-certificaat van uw leverancier te verifiëren en dit vast te leggen.
Gelden de GMP+-eisen ook voor de opslag van verpakte diervoeders, of alleen voor bulk?
De GMP+-eisen gelden voor alle vormen van diervoederopslag, inclusief verpakte producten in zakken of big bags, niet alleen voor bulk. De specifieke eisen voor kruisbesmettingpreventie, traceerbaarheid en reiniging zijn van toepassing ongeacht de verpakkingsvorm, al kunnen de uitvoeringsdetails per opslagvorm verschillen. Voor verpakte producten ligt de nadruk meer op de integriteit van de verpakking en de opslaginrichting, terwijl bij bulk de reinigingsprocedures van silo's en cellen extra aandacht vragen.
Hoe vaak worden GMP+- en FSSC22000-certificeringen geauditeerd en wat kan ik verwachten tijdens een heraudit?
Beide certificeringen kennen doorgaans een jaarlijkse surveillance-audit en een volledige hercertificeringsaudit elke drie jaar. Tijdens een heraudit controleert de auditor niet alleen of uw procedures op papier kloppen, maar ook of de dagelijkse praktijk overeenkomt met wat is gedocumenteerd, inclusief reinigingsregistraties, partijdocumentatie en de naleving van EWS-meldingen bij GMP+. Een goede voorbereiding begint met een interne audit minimaal vier tot zes weken voor de geplande externe audit, zodat u eventuele afwijkingen tijdig kunt corrigeren.
Kunnen producten met een dubbele bestemming (zowel food als feed) in dezelfde opslagcel worden bewaard?
Dat hangt af van de risicoklasse van het product en de specifieke eisen van beide normen, maar in de meeste gevallen is gelijktijdige opslag van food- en feed-producten in dezelfde cel niet toegestaan zonder aanvullende maatregelen. GMP+ vereist aantoonbare scheiding van productstromen om kruisbesmetting te voorkomen, en FSSC22000 stelt vergelijkbare eisen vanuit het perspectief van allergenen- en contaminantenbeheersing. In de praktijk worden producten met een dubbele bestemming vaak in aparte, duidelijk gelabelde cellen opgeslagen, waarbij de toewijzing per partij wordt vastgelegd in het warehouse managementsysteem.

© HUSA Logistics. All rights reserved